lammeren
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈlɑmərə(n)/Betekenis
- (van ooien en geiten) het werpen van jongen
Hoe spreek je lammeren uit?
/ˈlɑmərən/
Lammeren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɑ | bad |
| m | maan |
| ə | de |
| r | rood |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- het werpen van jongen unergative
Vervoeging van lammeren
lammerenhele werkwoord — lammerdeverleden tijd enkelvoud — lammerdenverleden tijd meervoud — gelammerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lammer | lammerde |
| jij | lammert | lammerde |
| hij, zij, het | lammert | lammerde |
| wij | lammeren | lammerden |
| jullie | lammeren | lammerden |
| zij | lammeren | lammerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gelammerd | verleden tijd, deelwoord |
| gelammerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelammerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gelammerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelammerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelammerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelammerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelammerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelammerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelammerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelammerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelammerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelammerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelammerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelammerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelammerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelammerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelammerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| lammer | gebiedende wijs |
| lammerde | verleden tijd |
| lammere | aanvoegende wijs |
| lammerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gelammerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te lammeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen lammeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gelammerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelammerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelammerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal lammeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal lammeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal lammeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gelammerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelammerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelammerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou lammeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou lammeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou lammeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gelammerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelammerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelammerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden lammeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden lammeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden lammeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gelammerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt lammeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gelammerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelammerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelammerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen lammeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen lammeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen lammeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen lammeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gelammerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult lammeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord lam
Woordfamilie van lammeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelammerd | voltooid deelwoord | lammeren |
| lammerde | verleden tijd | lammeren |
| lammerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | lammeren |
| lammerend | onvoltooid deelwoord | lammeren |
| lammerende | woordvorm | lammeren |
| lammert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | lammeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lammeren zijn vastgelegd.