belemmeren
werkwoord bəˈlɛmərə(n)Betekenis
- een factor vormen die een gebeurtenis of handeling (bijna) onmogelijk maakt
Hoe spreek je belemmeren uit?
/bəˈlɛmərən/
Belemmeren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| l | land |
| ɛ | bed |
| m | maan |
| r | rood |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van belemmeren
belemmerenhele werkwoord — belemmerdeverleden tijd enkelvoud — belemmerdenverleden tijd meervoud — belemmerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | belemmer | belemmerde |
| jij | belemmert | belemmerde |
| hij, zij, het | belemmert | belemmerde |
| wij | belemmeren | belemmerden |
| jullie | belemmeren | belemmerden |
| zij | belemmeren | belemmerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| belemmer | gebiedende wijs |
| belemmerd | verleden tijd, deelwoord |
| belemmerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| belemmerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| belemmerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| belemmerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| belemmerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| belemmerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| belemmerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| belemmerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| belemmerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| belemmerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| belemmerde | verleden tijd |
| belemmere | aanvoegende wijs |
| belemmerend | onvoltooid, deelwoord |
| ben belemmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent belemmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is belemmerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was belemmerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd belemmerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt belemmerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal belemmerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal belemmerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou belemmerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou belemmerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had belemmerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had belemmerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had belemmerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden belemmerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden belemmerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden belemmerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt belemmerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb belemmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben belemmerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben belemmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben belemmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben belemmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt belemmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft belemmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft belemmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is belemmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is belemmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te belemmeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben belemmerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen belemmeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart belemmerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren belemmerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren belemmerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren belemmerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was belemmerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was belemmerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was belemmerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd belemmerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd belemmerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd belemmerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden belemmerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden belemmerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden belemmerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt belemmerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word belemmerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden belemmerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden belemmerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden belemmerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt belemmerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt belemmerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal belemmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal belemmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal belemmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal belemmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal belemmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal belemmerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal belemmerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal belemmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal belemmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal belemmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn belemmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn belemmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn belemmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt belemmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou belemmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou belemmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou belemmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou belemmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou belemmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou belemmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou belemmerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou belemmerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou belemmerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou belemmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou belemmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou belemmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden belemmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden belemmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden belemmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden belemmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden belemmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden belemmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden belemmerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden belemmerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden belemmerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden belemmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden belemmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden belemmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt belemmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt belemmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt belemmerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt belemmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen belemmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen belemmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen belemmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen belemmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen belemmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen belemmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen belemmerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen belemmerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen belemmerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen belemmeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen belemmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen belemmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen belemmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult belemmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult belemmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult belemmerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult belemmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘(ver)hinderen’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van belemmeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| belemmer | gebiedende wijs | belemmeren |
| belemmerd | voltooid deelwoord | belemmeren |
| belemmerde | verleden tijd | belemmeren |
| belemmerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | belemmeren |
| belemmere | aanvoegende wijs | belemmeren |
| belemmerend | onvoltooid deelwoord | belemmeren |
| belemmerende | woordvorm | belemmeren |
| belemmert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | belemmeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van belemmeren zijn vastgelegd.