lamleggen
werkwoordBetekenis
- het functioneren van iets grondig verstoren
Vervoeging van lamleggen
lamleggenhele werkwoord — legde lamverleden tijd enkelvoud — legden lamverleden tijd meervoud — lamgelegdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | leg lam | legde lam |
| jij | legt lam | legde lam |
| hij, zij, het | legt lam | legde lam |
| wij | leggen lam | legden lam |
| jullie | leggen lam | legden lam |
| zij | leggen lam | legden lam |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben lamgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent lamgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is lamgelegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was lamgelegd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd lamgelegd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt lamgelegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal lamgelegd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal lamgelegd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou lamgelegd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou lamgelegd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had lamgelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had lamgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had lamgelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden lamgelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden lamgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden lamgelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt lamgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb lamgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben lamgelegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben lamgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben lamgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben lamgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt lamgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft lamgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft lamgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is lamgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is lamgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| lam te leggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| lam te zullen leggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| lam zal leggen | bijzin, toekomende tijd |
| lam zou leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| lam zouden leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| lam zoudt leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| lam zullen leggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| lam zullen leggen | bijzin, toekomende tijd |
| lam zult leggen | bijzin, toekomende tijd |
| lamgelegd | verleden tijd, deelwoord |
| lamgelegd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| lamgelegd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| lamgelegd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| lamgelegd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| lamgelegd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| lamgelegd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| lamgelegd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| lamgelegd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| lamgelegd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| lamgelegd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| lamleg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| lamlegde | bijzin, verleden tijd |
| lamlegden | bijzin, verleden tijd |
| lamleggend | onvoltooid, deelwoord |
| lamlegt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| leg lam | gebiedende wijs |
| legde lam | verleden tijd |
| te hebben lamgelegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen lamleggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart lamgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren lamgelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren lamgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren lamgelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was lamgelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was lamgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was lamgelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd lamgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd lamgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd lamgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden lamgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden lamgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden lamgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt lamgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word lamgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden lamgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden lamgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden lamgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt lamgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt lamgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal lamgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal lamgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal lamgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal lamgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal lamgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal lamgelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal lamgelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal lamleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal lamleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal lamleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal lamleggen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn lamgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn lamgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn lamgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt lamgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou lamgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou lamgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou lamgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou lamgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou lamgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou lamgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou lamgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou lamgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou lamgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou lamleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou lamleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou lamleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou lamleggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) lamleggen lam zou(dt) leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden lamgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden lamgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden lamgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden lamgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden lamgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden lamgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden lamgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden lamgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden lamgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden lamleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden lamleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden lamleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden lamleggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt lamgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt lamgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt lamgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt lamleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt lamleggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen lamgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen lamgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen lamgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen lamgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen lamgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen lamgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen lamgelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen lamgelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen lamgelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen lamleggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen lamleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen lamleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen lamleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen lamleggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult lamgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van lam bn en leggen ww
Woordfamilie van lamleggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lamgelegd | voltooid deelwoord | lamleggen |
| lamgelegde | woordvorm | lamleggen |
| lamleg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | lamleggen |
| lamlegde | subordinate-clause, verleden tijd | lamleggen |
| lamlegden | subordinate-clause, verleden tijd | lamleggen |
| lamlegge | with-subordinate-clause | lamleggen |
| lamleggend | onvoltooid deelwoord | lamleggen |
| lamleggende | woordvorm | lamleggen |
| lamlegt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | lamleggen |
| leg lam | gebiedende wijs | lamleggen |
| legde lam | verleden tijd | lamleggen |
| legden lam | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | lamleggen |
| legge lam | woordvorm | lamleggen |
| leggen lam | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | lamleggen |
| legt lam | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | lamleggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lamleggen zijn vastgelegd.