koek
zelfstandig naamwoord, werkwoord kukBetekenis
- een baksel uit de oven met als belangrijkste ingrediënt deeg
- min of meer platte massa van dingen die zijn samengeklonterd
Hoe spreek je koek uit?
/kuk/
Koek bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| u | boek |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| koeken | meervoud |
| koekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| koekjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koeken
- gebiedende wijs van koeken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koeken
Vervoeging van koek
koekhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘zoet gebak’ voor het eerst aangetroffen in 1300
Woordfamilie van koek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| koekjes | verkleinwoord meervoud | koek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van koek zijn vastgelegd.