hoek
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ɦuk/Betekenis
- een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
- een plaats waar twee muren samenkomen in bijvoorbeeld een kamer of op straat
- (boksen:) stoot die van opzij wordt toegediend, hoekstoot
- plek, plaats (bijv. koffiehoek)
Hoe spreek je hoek uit?
/huk/
Hoek bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| u | boek |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — masculine
- stoot die van opzij wordt toegediend, hoekstoot
- bepaalde categorie mensen of zaken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hoeken | meervoud |
| hoekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hoekjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoeken
- gebiedende wijs van hoeken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoeken
Vervoeging van hoek
hoekhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘ruimte tussen twee lijnen of vlakken’ voor het eerst aangetroffen in 1177
Woordfamilie van hoek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hoekje | verkleinwoord | hoek |
| hoekjes | verkleinwoord meervoud | hoek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hoek zijn vastgelegd.