Naar de inhoud

koeken

tot een klont, een koek worden

koeken is meer dan één woord

koeken

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. tot een klont, een koek worden

Vervoeging van koeken

koekenhele werkwoord — koekteverleden tijd enkelvoud — koektenverleden tijd meervoud — gekoektvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik koek koekte
jij koekt koekte
hij, zij, het koekt koekte
wij koeken koekten
jullie koeken koekten
zij koeken koekten
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gekoekt verleden tijd, deelwoord
gekoekt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gekoekt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gekoekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gekoekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gekoekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gekoekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gekoekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gekoekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gekoekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gekoekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gekoekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gekoekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gekoekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gekoekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gekoekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gekoekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gekoekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
koek gebiedende wijs
koeke aanvoegende wijs
koekend onvoltooid, deelwoord
koekte verleden tijd
te hebben gekoekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te koeken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen koeken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gekoekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gekoekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gekoekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal koeken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal koeken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal koeken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gekoekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gekoekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gekoekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou koeken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou koeken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou koeken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gekoekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gekoekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gekoekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden koeken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden koeken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden koeken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gekoekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt koeken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gekoekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gekoekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gekoekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen koeken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen koeken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen koeken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen koeken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gekoekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult koeken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

zelfstandig naamwoord — feminine, masculine

  1. ruiten

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord koek

Woordfamilie van koeken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gekoekt voltooid deelwoord koeken
gekoekte woordvorm koeken
koeke aanvoegende wijs koeken
koekend onvoltooid deelwoord koeken
koekende woordvorm koeken
koekens meervoud koeken
koekt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon koeken
koekte verleden tijd koeken
koekten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon koeken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van koeken zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over koeken

Wat betekent koeken?
Koeken is een werkwoord. Het woord betekent: tot een klont, een koek worden. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je koeken?
Je vervoegt koeken als volgt: de tegenwoordige tijd is koek, de verleden tijd is koekte en het voltooid deelwoord is gekoekt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord koeken is 10 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. K 3
  2. O 1
  3. E 1
  4. K 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 10 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

koeken levert met Wordfeud minimaal 10 en maximaal 48 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. K 3
  2. O 1
  3. E 1
  4. K 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 10 zonder bonus
  8. 48 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

koeken telt 6 letters, waarvan 4 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

koeken in het kort

koeken is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van koeken zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort koeken bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

koeken: tot een klont, een koek worden
Deel koeken — standaardnederlands.nl