snoek
zelfstandig naamwoord, werkwoord snukBetekenis
- een roofvis die in zoete wateren voorkomt
- een figuur uit de acrobatiek, nl. de positie van de bovenpersoon wanneer deze horizontaal op de handen van een staande of voeten van een liggende onderpersoon ligt. (bv. de hoge of de lage snoek)
Hoe spreek je snoek uit?
/snuk/
Snoek bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| n | nek |
| u | boek |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaald soort roofvis die in zoete wateren voorkomt, Esox lucius
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| snoeken | meervoud |
| snoekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| snoekjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snoeken
- gebiedende wijs van snoeken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snoeken
Vervoeging van snoek
snoekhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands snoec, in de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in 1286
Woordfamilie van snoek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| snoekje | verkleinwoord | snoek |
| snoekjes | verkleinwoord meervoud | snoek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van snoek zijn vastgelegd.