koeioneren
werkwoordBetekenis
- op een vervelende, vernederende manier de baas spelen
werkwoord
- op een vervelende en/of vernederende manier de baas spelen over iemand anders transitive
- op een pesterige manier bejegenen, sarren, treiteren transitive
Vervoeging van koeioneren
koeionerenhele werkwoord
Herkomst
Van het Franse couillonner, in de betekenis van ‘bedillen’ voor het eerst aangetroffen in 1682
Woordfamilie van koeioneren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekoeioneerd | woordvorm | koeioneren |
| gekoeioneerde | woordvorm | koeioneren |
| koeioneer | woordvorm | koeioneren |
| koeioneerde | woordvorm | koeioneren |
| koeioneerden | woordvorm | koeioneren |
| koeioneert | woordvorm | koeioneren |
| koeionere | woordvorm | koeioneren |
| koeionerend | woordvorm | koeioneren |
| koeionerende | woordvorm | koeioneren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van koeioneren zijn vastgelegd.