neteldoek
zelfstandig naamwoord ˈnetəlˌdukBetekenis
- later van katoen en in dat geval hetzelfde als mousseline
Hoe spreek je neteldoek uit?
/ˈnetəlˌduk/
Neteldoek bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| e | veel |
| t | tak |
| ə | de |
| l | land |
| d | dak |
| u | boek |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — neuter
- losgeweven stof in effen binding, vroeger vervaardigd uit de bastvezels van sommige soorten netels (Urtica dioica), later van katoen en in dat geval hetzelfde als mousseline
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| neteldoeken | meervoud |
| neteldoekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| neteldoekjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘weefsel’ voor het eerst aangetroffen in 1623
Woordfamilie van neteldoek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| neteldoeken | meervoud | neteldoek |
| neteldoekje | verkleinwoord | neteldoek |
| neteldoekjes | verkleinwoord meervoud | neteldoek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van neteldoek zijn vastgelegd.