bezoek
zelfstandig naamwoord, werkwoord bəˈzukBetekenis
- het bezoeken, de visite
- de personen die op visite zijn of komen, de verzamelde bezoekers
Hoe spreek je bezoek uit?
/bəˈzuk/
Bezoek bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| z | zon |
| u | boek |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bezoeken | meervoud |
| bezoekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bezoekjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezoeken
- gebiedende wijs van bezoeken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezoeken
Vervoeging van bezoek
bezoekhele werkwoord
Woordfamilie van bezoek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bezoekje | verkleinwoord | bezoek |
| bezoekjes | verkleinwoord meervoud | bezoek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bezoek zijn vastgelegd.