pannenkoek
zelfstandig naamwoord ˈpɑnə(n)ˌkukBetekenis
- plat, rond baksel van luchtig beslag, meestal gemaakt van meel en eieren die in een koekenpan worden gebakken
- dom of onhandig persoon
- actie waarbij een volleyballer zijn handpalm op de grond legt en een neerkomende bal speelt door hem op de rug van zijn hand weer omhoog te laten stuiten
Hoe spreek je pannenkoek uit?
/ˈpɑnənˌkuk/
Pannenkoek bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| ə | de |
| k | kat |
| u | boek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pannekoek | |
| pannenkoeken | meervoud |
| pannenkoekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pannenkoekjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands pannecoeke, in de betekenis van ‘in pan gebakken plat deegproduct’ voor het eerst aangetroffen in 1280; op te vatten als samenstelling van pan zn en koek zn met het invoegsel -en- waarbij de spellingregels 2.B en 8.A van toepassing zijn
Woordfamilie van pannenkoek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pannekoek | masculine | pannenkoek |
| pannenkoeken | meervoud | pannenkoek |
| pannenkoekje | verkleinwoord | pannenkoek |
| pannenkoekjes | verkleinwoord meervoud | pannenkoek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pannenkoek zijn vastgelegd.