broek
zelfstandig naamwoord brukBetekenis
- een kledingstuk met twee afzonderlijke pijpen voor beide benen
- de vederen die de onderbuik en het halve loopbeen bedekken en in rust vaak de hele poot
- een moerassig gebied, moeras
Hoe spreek je broek uit?
/bruk/
Broek bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| r | rood |
| u | boek |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — masculine
- kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| broeken | meervoud |
| broekie | verkleinwoord, enkelvoud |
| broekies | verkleinwoord, meervoud |
| broekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| broekjes | verkleinwoord, meervoud |
zelfstandig naamwoord — neuter
- een drassig/moerassig gebied
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| broeken | meervoud |
| broekie | verkleinwoord, enkelvoud |
| broekies | verkleinwoord, meervoud |
| broekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| broekjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
zelfstandig naamwoord: Verwant met Keltisch braca en Latijn brāca, dat in het Latijn aan het Keltisch moet zijn ontleend. Protogermaans: *brāks. Verwant met o.a. Engels bracket en Frans brague, braguette. Onduidelijk is of het woord een Keltische oorsprong heeft of een Germaanse; de betekenis zou in dat laatste geval oorspronkelijk "achterwerk/schaamstreek" zijn.
zelfstandig naamwoord: Indo-Europees: mogelijk bhrāg-. In dat geval zou broek ook verwant zijn met het Latijnse suffrāgō.
Woordfamilie van broek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| broeken | meervoud | broek |
| broekje | verkleinwoord | broek |
| broekjes | verkleinwoord meervoud | broek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van broek zijn vastgelegd.