kastanje
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord kɑsˈtɑɲəBetekenis
- loofboomsoort die vooral inheems is in subtropische gebieden
- eetbare vrucht van de betreffende boom
Hoe spreek je kastanje uit?
/kɑsˈtɑnjə/
Kastanje bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
| n | nek |
| j | ja |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- benaming voor loofbomen uit het geslacht Castanea, vooral inheems in subtropische gebieden
- eetbare vrucht van bomen uit het geslacht Castanea
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kastanjes | meervoud |
| kastanjetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kastanjetjes | verkleinwoord, meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- de kleur van een kastanje hebbend
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vrucht’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van kastanje
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kastanjes | meervoud | kastanje |
| kastanjetje | verkleinwoord | kastanje |
| kastanjetjes | verkleinwoord meervoud | kastanje |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kastanje zijn vastgelegd.