jansenist
zelfstandig naamwoord ˌjɑnsəˈnɪstBetekenis
- navolger van de strenge opvattingen van Cornelius Jansenius, bisschop van Ieper, waarin soberheid en predestinatie een grote rol spelen
Hoe spreek je jansenist uit?
/ˌjɑnsəˈnɪst/
Jansenist bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| j | ja |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| s | sok |
| ə | de |
| ɪ | pit |
| t | tak |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| jansenisten | meervoud |
Herkomst
eponiem, met het achtervoegsel -ist afgeleid van de Nederlandstalige achternaam van de 17e-eeuwse Vlaamse theoloog C. Jansen in de betekenis van ‘aanhanger van een bepaalde godsdienstige leer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1654
Woordfamilie van jansenist
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| jansenisten | meervoud | jansenist |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jansenist zijn vastgelegd.