flikken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- handig klaarspelen
- lappen, leveren
werkwoord
- iets gemeens en vervelends aandoen pejorative
Vervoeging van flikken
flikkenhele werkwoord — flikteverleden tijd enkelvoud — fliktenverleden tijd meervoud — gefliktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | flik | flikte |
| jij | flikt | flikte |
| hij, zij, het | flikt | flikte |
| wij | flikken | flikten |
| jullie | flikken | flikten |
| zij | flikken | flikten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geflikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geflikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geflikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geflikt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geflikt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geflikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geflikt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geflikt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geflikt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geflikt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| flik | gebiedende wijs |
| flikke | aanvoegende wijs |
| flikkend | onvoltooid, deelwoord |
| flikte | verleden tijd |
| geflikt | verleden tijd, deelwoord |
| geflikt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geflikt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geflikt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geflikt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geflikt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geflikt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geflikt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geflikt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geflikt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geflikt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geflikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geflikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geflikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geflikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geflikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geflikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geflikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geflikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geflikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geflikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geflikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geflikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geflikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geflikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geflikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geflikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geflikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te flikken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geflikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen flikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geflikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geflikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geflikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geflikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geflikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geflikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geflikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geflikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geflikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geflikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geflikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geflikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geflikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geflikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geflikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geflikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geflikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geflikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geflikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geflikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal flikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal flikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal flikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geflikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geflikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geflikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geflikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geflikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geflikt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geflikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geflikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geflikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geflikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geflikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou flikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou flikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou flikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geflikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geflikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geflikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geflikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geflikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geflikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geflikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geflikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geflikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden flikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden flikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden flikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geflikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geflikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geflikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geflikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geflikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geflikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geflikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geflikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geflikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt flikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geflikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geflikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geflikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen flikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen flikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen flikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen flikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geflikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geflikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geflikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geflikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geflikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geflikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geflikt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geflikt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geflikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult flikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geflikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geflikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geflikt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord flik
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘handig klaarspelen, leveren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1850
Woordfamilie van flikken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| flikke | aanvoegende wijs | flikken |
| flikkend | onvoltooid deelwoord | flikken |
| flikkende | woordvorm | flikken |
| flikt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | flikken |
| flikte | verleden tijd | flikken |
| flikten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | flikken |
| geflikt | voltooid deelwoord | flikken |
| geflikte | woordvorm | flikken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van flikken zijn vastgelegd.