familie
zelfstandig naamwoord faˈmiliBetekenis
- groep mensen met (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
- taxon, een groep dieren of planten, onderdeel van een orde en bestaande uit een of meer geslachten
- familie
- gezin
- geslacht
Hoe spreek je familie uit?
/faˈmili/
Familie bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| a | maan |
| m | maan |
| i | riet |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| families | meervoud |
| familietje | verkleinwoord, enkelvoud |
| familietjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gezin, bloedverwanten’ voor het eerst aangetroffen in 1566
Woordfamilie van familie
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| families | meervoud | familie |
| familietje | verkleinwoord | familie |
| familietjes | verkleinwoord meervoud | familie |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van familie zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- familiaal
- familiair
- familieaangelegenheid
- familieband
- familiebedrijf
- familieberaad
- familiebericht
- familiebijeenkomst
- familiecamping
- familiedrama
- familiefeest
- familiefilm
- familiefoto
- familiegeheim
- familiekamer
- familieleven
- familielid
- familienaam
- familieprogramma
- familieraad
- familierecht
- familierelatie
- familierestaurant
- familieroman