roedel
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een groep honden, wolven, herten of ook gemzen waar een sterke hiërarchie heerst
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| roedels | meervoud |
| roedeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| roedeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘kudde’ voor het eerst aangetroffen in 1940
Woordfamilie van roedel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| roedels | meervoud | roedel |
| roedeltje | verkleinwoord | roedel |
| roedeltjes | verkleinwoord meervoud | roedel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van roedel zijn vastgelegd.