oma
zelfstandig naamwoord ˈomaBetekenis
- de moeder van een ouder
- grootmoeder
Hoe spreek je oma uit?
/ˈoma/
Oma bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| m | maan |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- moeder van een ouder
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| oma's | meervoud |
| oma's | bezittelijk |
| omaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| omaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
vermoedelijk ontstaan in kindertaal uit grootma, in de betekenis van ‘grootmoeder’ aangetroffen vanaf 1872
Woordfamilie van oma
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| oma's | possessive | oma |
| omaatje | verkleinwoord | oma |
| omaatjes | verkleinwoord meervoud | oma |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oma zijn vastgelegd.