dooplid
zelfstandig naamwoord 'doplɪtBetekenis
- iemand die door de doop lid is geworden van een kerkgenootschap
- bij de protestantse kerken: iemand die wel gedoopt is maar nog geen belijdenis heeft afgelegd
Hoe spreek je dooplid uit?
/ˈdoplɪt/
Dooplid bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| o | boot |
| p | pak |
| l | land |
| ɪ | pit |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| doopleden | meervoud |
Herkomst
samenstelling van doop en lid
Woordfamilie van dooplid
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doopleden | meervoud | dooplid |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dooplid zijn vastgelegd.