boeren
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈburə(n)Betekenis
- het boerenvak uitoefenen
- een vak uitoefenen en daar inkomsten mee verdienen
- een boer laten
Hoe spreek je boeren uit?
/ˈburən/
Boeren bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| u | boek |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van boeren
boerenhele werkwoord — boerdeverleden tijd enkelvoud — boerdenverleden tijd meervoud — geboerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | boer | boerde |
| jij | boert | boerde |
| hij, zij, het | boert | boerde |
| wij | boeren | boerden |
| jullie | boeren | boerden |
| zij | boeren | boerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| boer | gebiedende wijs |
| boerde | verleden tijd |
| boere | aanvoegende wijs |
| boerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geboerd | verleden tijd, deelwoord |
| geboerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geboerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geboerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geboerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geboerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geboerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geboerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geboerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geboerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geboerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geboerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geboerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geboerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geboerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geboerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geboerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geboerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te boeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geboerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen boeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal boeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal boeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal boeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geboerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geboerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geboerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou boeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou boeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou boeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geboerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geboerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geboerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden boeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden boeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden boeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geboerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geboerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geboerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt boeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geboerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen boeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen boeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen boeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen boeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geboerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geboerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geboerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult boeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geboerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord boer
Herkomst
Afgeleid van boer met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van boeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| boerde | verleden tijd | boeren |
| boerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | boeren |
| boere | aanvoegende wijs | boeren |
| boerend | onvoltooid deelwoord | boeren |
| boerende | woordvorm | boeren |
| geboerd | voltooid deelwoord | boeren |
| geboerde | woordvorm | boeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boeren zijn vastgelegd.