alloceren
werkwoordBetekenis
- het reserveren van geheugen.
- het toewijzen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van alloceren
allocerenhele werkwoord — alloceerdeverleden tijd enkelvoud — alloceerdenverleden tijd meervoud — gealloceerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | alloceer | alloceerde |
| jij | alloceert | alloceerde |
| hij, zij, het | alloceert | alloceerde |
| wij | alloceren | alloceerden |
| jullie | alloceren | alloceerden |
| zij | alloceren | alloceerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| alloceer | gebiedende wijs |
| alloceerde | verleden tijd |
| allocere | aanvoegende wijs |
| allocerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gealloceerd | verleden tijd, deelwoord |
| gealloceerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gealloceerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gealloceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gealloceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gealloceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gealloceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gealloceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gealloceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gealloceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gealloceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gealloceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gealloceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gealloceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gealloceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gealloceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gealloceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gealloceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te alloceren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gealloceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen alloceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal alloceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal alloceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal alloceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gealloceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gealloceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gealloceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou alloceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou alloceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou alloceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gealloceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gealloceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gealloceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden alloceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden alloceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden alloceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gealloceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gealloceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gealloceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt alloceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gealloceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen alloceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen alloceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen alloceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen alloceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gealloceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gealloceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gealloceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult alloceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gealloceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Van het Engelse allocate, van het Latijnse 'allocare' met het achtervoegsel -eren
Woordfamilie van alloceren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| alloceer | gebiedende wijs | alloceren |
| alloceerde | verleden tijd | alloceren |
| alloceerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | alloceren |
| alloceert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | alloceren |
| allocere | aanvoegende wijs | alloceren |
| allocerend | onvoltooid deelwoord | alloceren |
| allocerende | woordvorm | alloceren |
| gealloceerd | voltooid deelwoord | alloceren |
| gealloceerde | woordvorm | alloceren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van alloceren zijn vastgelegd.