af
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord ɑfBetekenis
- klaar, gereed
- ergens vandaan gaan
- naar beneden gaan
- niet langer op of aan iets
- scheidbaar deel van vanaf
- iets ~ zijn niet langer iets zijn
- van, uit
- van, weg van, vanaf
- aan, van, uit
- of
- van
- uit
- mond
- taal
- gratie, vergiffenis
- aap; een vierhandige zoogdier uit de orde der primaten
- apenstaartje, at-teken; symbool gebruikt voor het adresseren van berichten
- @
af in een zin
- Na drie weken schrijven was het verslag eindelijk af.
- Na die wandeling waren we allebei helemaal af.
- Haal de dop van de fles af voordat je schenkt.
Let op: Als bijvoeglijk naamwoord kan af alleen achter het werkwoord staan: het werk is af, maar niet een af werk.
Hoe spreek je af uit?
/ɑf/
Af bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
Klinkt hetzelfde als av.
bijvoeglijk naamwoord
- helemaal uitgeput
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord: niet langer op of aan iets
- prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord niet langer op of aan iets
Herkomst
In de betekenis van ‘bijwoord van plaats’ voor het eerst aangetroffen in 701