paf
tussenwerpsel, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord pɑfBetekenis
- het geluid van een korte knal, bijvoorbeeld van een pistool
- het roken, met name van tabak
- het geluid van een afgeschoten vuurwapen
- verbaasd staand
- opgeblazen
Hoe spreek je paf uit?
/pɑf/
Paf bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| f | fiets |
tussenwerpsel
- geluid van een korte knal, bijvoorbeeld van een pistool
- kort, dof geluid bij een botsing of val
zelfstandig naamwoord — masculine
- geluid van een afgeschoten vuurwapen
bijvoeglijk naamwoord
- bevangen door grote verbazing
- met een vol gevoel of opgezwollen, zoals na veel eten
- loom makend
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paffen
- gebiedende wijs van paffen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paffen
Vervoeging van paf
pafhele werkwoord
Herkomst
tw: klanknabootsing, in de betekenis van ‘tussenwerpsel: nabootsing van geluid’ aangetroffen vanaf 1717 **zn: op te vatten als naamwoord van handeling bij paffen ww **bn [1]: mogelijk van Duits baff bn , "verbluft alsof je net onverwacht een schot hoorde" **bn [2], [3]: omdat iets wat overvol is alleen nog wat dof geluid kan maken of haast met een knal uiteen lijkt te spatten **ww paffen ww zonder de uitgang -en
Woordfamilie van paf
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| paffere | woordvorm | paf |
| pafje | woordvorm | paf |
| pafjes | meervoud | paf |
| pafs | woordvorm | paf |
| pafst | woordvorm | paf |
| pafste | woordvorm | paf |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van paf zijn vastgelegd.