afbidden
werkwoordBetekenis
- door bidden of smeken verkrijgen
- door bidden trachten af te wenden
Vervoeging van afbidden
afbiddenhele werkwoord — bad afverleden tijd enkelvoud — baden afverleden tijd meervoud — afgebedenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bid af | bad af |
| jij | bidt af | bad af |
| hij, zij, het | bidt af | bad af |
| wij | bidden af | baden af |
| jullie | bidden af | baden af |
| zij | bidden af | baden af |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te bidden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen bidden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal bidden | bijzin, toekomende tijd |
| af zou bidden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden bidden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt bidden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen bidden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen bidden | bijzin, toekomende tijd |
| af zult bidden | bijzin, toekomende tijd |
| afbad | bijzin, verleden tijd |
| afbaden | bijzin, verleden tijd |
| afbid | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afbiddend | onvoltooid, deelwoord |
| afbidt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afgebeden | verleden tijd, deelwoord |
| afgebeden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgebeden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bad af | verleden tijd |
| bid af | gebiedende wijs |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgebeden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgebeden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgebeden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgebeden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgebeden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgebeden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgebeden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgebeden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgebeden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgebeden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgebeden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgebeden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgebeden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgebeden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgebeden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgebeden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afbidden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afbidden | bijzin, toekomende tijd |
| zal afgebeden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgebeden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgebeden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou afbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afbidden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou afgebeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgebeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgebeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) afbidden af zou(dt) bidden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afbidden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgebeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgebeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgebeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt afbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afbidden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgebeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen afbidden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afbidden | bijzin, toekomende tijd |
| zullen afgebeden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgebeden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgebeden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult afbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afbidden | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgebeden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal afbidden af zult/zal bidden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en bidden ww
Woordfamilie van afbidden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afbad | subordinate-clause, verleden tijd | afbidden |
| afbaden | subordinate-clause, verleden tijd | afbidden |
| afbid | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afbidden |
| afbidde | with-subordinate-clause | afbidden |
| afbiddend | onvoltooid deelwoord | afbidden |
| afbiddende | woordvorm | afbidden |
| afbidt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afbidden |
| afgebeden | voltooid deelwoord | afbidden |
| bad af | verleden tijd | afbidden |
| baden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afbidden |
| bid af | gebiedende wijs | afbidden |
| bidde af | woordvorm | afbidden |
| bidden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afbidden |
| bidt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afbidden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afbidden zijn vastgelegd.