Naar de inhoud

afbijten

met de tanden verwijderen

afbijten

werkwoord /ˈɑfbɛitə(n)/

Betekenis

  1. met de tanden verwijderen
  2. iemand boos en kortaf toespreken
  3. met chemische middelen oplossen

Hoe spreek je afbijten uit?

/ˈɑfbɛitən/

Afbijten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfbɛitən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
b bak
ɛi trein
t tak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van afbijten

afbijtenhele werkwoord — beet afverleden tijd enkelvoud — beten afverleden tijd meervoud — afgebetenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bijt af beet af
jij bijt af beet af
hij, zij, het bijt af beet af
wij bijten af beten af
jullie bijten af beten af
zij bijten af beten af
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te bijten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen bijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal bijten bijzin, toekomende tijd
af zou bijten bijzin, voorwaardelijk
af zouden bijten bijzin, voorwaardelijk
af zoudt bijten bijzin, voorwaardelijk
af zullen bijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen bijten bijzin, toekomende tijd
af zult bijten bijzin, toekomende tijd
afbeet bijzin, verleden tijd
afbeten bijzin, verleden tijd
afbijt bijzin, tegenwoordige tijd
afbijtend onvoltooid, deelwoord
afgebeten verleden tijd, deelwoord
afgebeten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgebeten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgebeten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgebeten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgebeten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgebeten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgebeten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgebeten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgebeten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgebeten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
beet af verleden tijd
ben afgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bijt af gebiedende wijs
er is afgebeten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgebeten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgebeten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgebeten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgebeten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgebeten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgebeten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgebeten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgebeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgebeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgebeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgebeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgebeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgebeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgebeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgebeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgebeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afbijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgebeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgebeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgebeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgebeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgebeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgebeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgebeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgebeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgebeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgebeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgebeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgebeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgebeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgebeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgebeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgebeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgebeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgebeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgebeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgebeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afbijten bijzin, toekomende tijd
zal afgebeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgebeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgebeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgebeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgebeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgebeten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgebeten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn afgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afbijten bijzin, voorwaardelijk
zou afgebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgebeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgebeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgebeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgebeten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgebeten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgebeten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) afbijten af zou(dt) bijten bijzin, voorwaardelijk
zouden afbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afbijten bijzin, voorwaardelijk
zouden afgebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgebeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgebeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgebeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgebeten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgebeten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgebeten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt afbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afbijten bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgebeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgebeten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen afbijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afbijten bijzin, toekomende tijd
zullen afgebeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgebeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgebeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgebeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgebeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgebeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgebeten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgebeten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgebeten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult afbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afbijten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en bijten ww

Woordfamilie van afbijten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afbeet subordinate-clause, verleden tijd afbijten
afbeten subordinate-clause, verleden tijd afbijten
afbijt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afbijten
afbijte with-subordinate-clause afbijten
afbijtend onvoltooid deelwoord afbijten
afbijtende woordvorm afbijten
afgebeten voltooid deelwoord afbijten
beet af verleden tijd afbijten
beten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afbijten
bijt af gebiedende wijs afbijten
bijte af woordvorm afbijten
bijten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afbijten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afbijten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over afbijten

Hoe spreek je afbijten uit?
De uitspraak van afbijten is: /ˈɑfbɛitə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent afbijten?
Afbijten is een werkwoord. Het woord betekent: met de tanden verwijderen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je afbijten?
Je vervoegt afbijten als volgt: het voltooid deelwoord is afgebeten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afbijten is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. B 3
  4. I 1
  5. J 4
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afbijten levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. B 4
  4. I 2
  5. J 4
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 19 zonder bonus
  10. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afbijten in het kort

afbijten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van afbijten zijn 86 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afbijten bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afbijten: met de tanden verwijderen
Deel afbijten — standaardnederlands.nl