Naar de inhoud

afblijven

niet aanraken

afblijven

werkwoord

Betekenis

  1. niet aanraken

Vervoeging van afblijven

afblijvenhele werkwoord — bleef afverleden tijd enkelvoud — bleven afverleden tijd meervoud — afgeblevenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik blijf af bleef af
jij blijft af bleef af
hij, zij, het blijft af bleef af
wij blijven af bleven af
jullie blijven af bleven af
zij blijven af bleven af
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te blijven actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen blijven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal blijven bijzin, toekomende tijd
af zou blijven bijzin, voorwaardelijk
af zouden blijven bijzin, voorwaardelijk
af zoudt blijven bijzin, voorwaardelijk
af zullen blijven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen blijven bijzin, toekomende tijd
af zult blijven bijzin, toekomende tijd
afbleef bijzin, verleden tijd
afbleeft bijzin, verleden tijd
afbleven bijzin, verleden tijd
afblijf bijzin, tegenwoordige tijd
afblijft bijzin, tegenwoordige tijd
afblijvend onvoltooid, deelwoord
afgebleven verleden tijd, deelwoord
afgebleven te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgebleven zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ben afgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bleef af verleden tijd
blijf af gebiedende wijs
ev. gebiedende wijs
is afgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn afgebleven actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afblijven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgebleven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgebleven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgebleven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgebleven voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgebleven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgebleven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgebleven voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal afblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afblijven bijzin, toekomende tijd
zal afgebleven zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgebleven zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgebleven zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn afgebleven actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn afgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afblijven bijzin, voorwaardelijk
zou afgebleven zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgebleven zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgebleven zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) afblijven af zou(dt) blijven bijzin, voorwaardelijk
zouden afblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afblijven bijzin, voorwaardelijk
zouden afgebleven zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgebleven zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgebleven zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt afblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afblijven bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgebleven zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen afblijven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afblijven bijzin, toekomende tijd
zullen afgebleven zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgebleven zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgebleven zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult afblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afblijven bijzin, toekomende tijd
zult afgebleven zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal afblijven af zult/zal blijven bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en blijven ww

Woordfamilie van afblijven

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afbleef subordinate-clause, verleden tijd afblijven
afbleven subordinate-clause, verleden tijd afblijven
afblijf subordinate-clause, tegenwoordige tijd afblijven
afblijft subordinate-clause, tegenwoordige tijd afblijven
afblijve with-subordinate-clause afblijven
afblijvend onvoltooid deelwoord afblijven
afblijvende woordvorm afblijven
afgebleven voltooid deelwoord afblijven
bleef af verleden tijd afblijven
bleven af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afblijven
blijf af gebiedende wijs afblijven
blijft af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afblijven
blijve af woordvorm afblijven
blijven af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afblijven

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afblijven zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afblijven

Wat is de betekenis van afblijven?
Afblijven is een werkwoord. De betekenis is: niet aanraken.
Hoe vervoeg ik afblijven?
Zo vervoeg je afblijven zo: het voltooid deelwoord is afgebleven. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afblijven is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. B 3
  4. L 3
  5. I 1
  6. J 4
  7. V 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afblijven levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. B 4
  4. L 3
  5. I 2
  6. J 4
  7. V 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 24 zonder bonus
  11. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afblijven in het kort

afblijven staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afblijven staan er 48 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afblijven bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afblijven: niet aanraken
Deel afblijven — standaardnederlands.nl