afbeelden
werkwoord ˈɑvbeldə(n)Betekenis
- een beeldende gelijkenis maken
Hoe spreek je afbeelden uit?
/ˈɑvbeldən/
Afbeelden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| v | vis |
| b | bak |
| e | veel |
| l | land |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afbeelden
afbeeldenhele werkwoord — beeldde afverleden tijd enkelvoud — beeldden afverleden tijd meervoud — afgebeeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beeld af | beeldde af |
| jij | beeldt af | beeldde af |
| hij, zij, het | beeldt af | beeldde af |
| wij | beelden af | beeldden af |
| jullie | beelden af | beeldden af |
| zij | beelden af | beeldden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te beelden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen beelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal beelden | bijzin, toekomende tijd |
| af zou beelden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden beelden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt beelden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen beelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen beelden | bijzin, toekomende tijd |
| af zult beelden | bijzin, toekomende tijd |
| afbeeld | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afbeeldde | bijzin, verleden tijd |
| afbeeldden | bijzin, verleden tijd |
| afbeeldend | onvoltooid, deelwoord |
| afbeeldt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afgebeeld | verleden tijd, deelwoord |
| afgebeeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgebeeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgebeeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgebeeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgebeeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgebeeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgebeeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgebeeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgebeeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgebeeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beeld af | gebiedende wijs |
| beeldde af | verleden tijd |
| ben afgebeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgebeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgebeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgebeeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgebeeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgebeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgebeeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgebeeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgebeeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgebeeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgebeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgebeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgebeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgebeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgebeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgebeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgebeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgebeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgebeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgebeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgebeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgebeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgebeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgebeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgebeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgebeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgebeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgebeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afbeelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgebeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgebeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgebeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgebeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgebeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgebeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgebeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgebeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgebeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgebeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgebeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgebeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgebeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgebeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgebeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgebeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgebeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgebeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgebeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgebeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afbeelden | bijzin, toekomende tijd |
| zal afgebeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgebeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgebeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgebeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgebeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgebeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgebeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn afgebeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgebeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgebeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgebeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afbeelden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou afgebeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgebeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgebeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgebeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgebeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgebeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgebeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgebeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgebeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) afbeelden af zou(dt) beelden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afbeelden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgebeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgebeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgebeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgebeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgebeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgebeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgebeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgebeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgebeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt afbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afbeelden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgebeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgebeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgebeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen afbeelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afbeelden | bijzin, toekomende tijd |
| zullen afgebeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgebeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgebeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgebeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgebeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgebeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgebeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgebeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgebeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult afbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en beelden (verouderd werkwoord)
Woordfamilie van afbeelden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afbeeld | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afbeelden |
| afbeeldde | subordinate-clause, verleden tijd | afbeelden |
| afbeeldden | subordinate-clause, verleden tijd | afbeelden |
| afbeelde | with-subordinate-clause | afbeelden |
| afbeeldend | onvoltooid deelwoord | afbeelden |
| afbeeldende | woordvorm | afbeelden |
| afbeeldt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afbeelden |
| beeld af | gebiedende wijs | afbeelden |
| beeldde af | verleden tijd | afbeelden |
| beeldden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afbeelden |
| beelde af | woordvorm | afbeelden |
| beelden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afbeelden |
| beeldt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afbeelden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afbeelden zijn vastgelegd.