afblaffen
werkwoord /ˈɑvblɑfə(n)/Betekenis
- door bejegening met ruwe woorden van zich afschrikken
Hoe spreek je afblaffen uit?
/ˈɑvblɑfən/
Afblaffen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| v | vis |
| b | bak |
| l | land |
| f | fiets |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afblaffen
afblaffenhele werkwoord — blafte afverleden tijd enkelvoud — blaften afverleden tijd meervoud — afgeblaftvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blaf af | blafte af |
| jij | blaft af | blafte af |
| hij, zij, het | blaft af | blafte af |
| wij | blaffen af | blaften af |
| jullie | blaffen af | blaften af |
| zij | blaffen af | blaften af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te blaffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen blaffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal blaffen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou blaffen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden blaffen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt blaffen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen blaffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen blaffen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult blaffen | bijzin, toekomende tijd |
| afblaf | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afblaffend | onvoltooid, deelwoord |
| afblaft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afblafte | bijzin, verleden tijd |
| afblaften | bijzin, verleden tijd |
| afgeblaft | verleden tijd, deelwoord |
| afgeblaft te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeblaft te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeblaft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeblaft te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeblaft te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeblaft worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeblaft zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeblaft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeblaft zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeblaft zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben afgeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| blaf af | gebiedende wijs |
| blafte af | verleden tijd |
| er is afgeblaft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgeblaft | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgeblaft | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgeblaft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgeblaft worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgeblaft zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgeblaft worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgeblaft zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeblaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeblaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeblaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeblaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeblaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeblaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeblaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeblaft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgeblaft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afblaffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgeblaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeblaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgeblaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeblaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgeblaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgeblaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgeblaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgeblaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgeblaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgeblaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgeblaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgeblaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgeblaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgeblaft | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgeblaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgeblaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgeblaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgeblaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgeblaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgeblaft | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afblaffen | bijzin, toekomende tijd |
| zal afgeblaft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeblaft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeblaft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgeblaft zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeblaft zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn afgeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgeblaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afblaffen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou afgeblaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeblaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeblaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeblaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeblaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeblaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) afblaffen af zou(dt) blaffen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afblaffen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeblaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeblaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeblaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeblaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeblaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeblaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt afblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afblaffen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeblaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeblaft zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen afblaffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afblaffen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen afgeblaft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeblaft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeblaft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgeblaft worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeblaft zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeblaft zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeblaft zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult afblaffen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en blaffen ww
Woordfamilie van afblaffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afblaf | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afblaffen |
| afblaffe | with-subordinate-clause | afblaffen |
| afblaffend | onvoltooid deelwoord | afblaffen |
| afblaffende | woordvorm | afblaffen |
| afblaft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afblaffen |
| afblafte | subordinate-clause, verleden tijd | afblaffen |
| afblaften | subordinate-clause, verleden tijd | afblaffen |
| afgeblaft | voltooid deelwoord | afblaffen |
| afgeblafte | woordvorm | afblaffen |
| blaf af | gebiedende wijs | afblaffen |
| blaffe af | woordvorm | afblaffen |
| blaffen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afblaffen |
| blaft af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afblaffen |
| blafte af | verleden tijd | afblaffen |
| blaften af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afblaffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afblaffen zijn vastgelegd.