Naar de inhoud

afbedelen

door te bedelen verkrijgen

afbedelen

werkwoord

Betekenis

  1. door te bedelen verkrijgen

Vervoeging van afbedelen

afbedelenhele werkwoord — bedelde afverleden tijd enkelvoud — bedelden afverleden tijd meervoud — afgebedeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bedel af bedelde af
jij bedelt af bedelde af
hij, zij, het bedelt af bedelde af
wij bedelen af bedelden af
jullie bedelen af bedelden af
zij bedelen af bedelden af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te bedelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen bedelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal bedelen bijzin, toekomende tijd
af zou bedelen bijzin, voorwaardelijk
af zouden bedelen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt bedelen bijzin, voorwaardelijk
af zullen bedelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen bedelen bijzin, toekomende tijd
af zult bedelen bijzin, toekomende tijd
afbedel bijzin, tegenwoordige tijd
afbedelde bijzin, verleden tijd
afbedelden bijzin, verleden tijd
afbedelend onvoltooid, deelwoord
afbedelt bijzin, tegenwoordige tijd
afgebedeld verleden tijd, deelwoord
afgebedeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgebedeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgebedeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgebedeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgebedeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgebedeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgebedeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgebedeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgebedeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgebedeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bedel af gebiedende wijs
bedelde af verleden tijd
ben afgebedeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgebedeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgebedeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgebedeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgebedeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgebedeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgebedeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgebedeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgebedeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgebedeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgebedeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgebedeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgebedeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgebedeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgebedeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgebedeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgebedeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgebedeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgebedeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgebedeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgebedeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgebedeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgebedeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgebedeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgebedeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgebedeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgebedeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgebedeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afbedelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgebedeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgebedeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgebedeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgebedeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgebedeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgebedeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgebedeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgebedeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgebedeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgebedeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgebedeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgebedeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgebedeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgebedeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgebedeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgebedeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgebedeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgebedeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgebedeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgebedeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afbedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afbedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afbedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afbedelen bijzin, toekomende tijd
zal afgebedeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgebedeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgebedeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgebedeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgebedeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgebedeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgebedeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn afgebedeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgebedeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgebedeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgebedeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afbedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afbedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afbedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afbedelen bijzin, voorwaardelijk
zou afgebedeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgebedeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgebedeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgebedeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgebedeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgebedeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgebedeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgebedeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgebedeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) afbedelen af zou(dt) bedelen bijzin, voorwaardelijk
zouden afbedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afbedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afbedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afbedelen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgebedeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgebedeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgebedeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgebedeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgebedeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgebedeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgebedeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgebedeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgebedeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt afbedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afbedelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgebedeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgebedeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgebedeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen afbedelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afbedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afbedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afbedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afbedelen bijzin, toekomende tijd
zullen afgebedeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgebedeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgebedeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgebedeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgebedeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgebedeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgebedeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgebedeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgebedeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult afbedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Samenstelling van af en bédelen

Woordfamilie van afbedelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afbedel subordinate-clause, tegenwoordige tijd afbedelen
afbedelde subordinate-clause, verleden tijd afbedelen
afbedelden subordinate-clause, verleden tijd afbedelen
afbedele with-subordinate-clause afbedelen
afbedelend onvoltooid deelwoord afbedelen
afbedelende woordvorm afbedelen
afbedelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afbedelen
afgebedeld voltooid deelwoord afbedelen
afgebedelde woordvorm afbedelen
bedel af gebiedende wijs afbedelen
bedelde af verleden tijd afbedelen
bedelden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afbedelen
bedele af woordvorm afbedelen
bedelen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afbedelen
bedelt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afbedelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afbedelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afbedelen

Wat betekent afbedelen?
Afbedelen is een werkwoord. Het woord betekent: door te bedelen verkrijgen.
Hoe vervoeg je afbedelen?
Je vervoegt afbedelen als volgt: het voltooid deelwoord is afgebedeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afbedelen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. B 3
  4. E 1
  5. D 2
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afbedelen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. B 4
  4. E 1
  5. D 2
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afbedelen in het kort

afbedelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afbedelen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afbedelen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afbedelen: door te bedelen verkrijgen
Deel afbedelen — standaardnederlands.nl