straf
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord strɑfBetekenis
- maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
- een vervelende ervaring in het algemeen
- sterk, geconcentreerd
- streng
- straffen
Hoe spreek je straf uit?
/strɑf/
Straf bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| f | fiets |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| straffen | meervoud |
| strafje | verkleinwoord, enkelvoud |
| strafjes | verkleinwoord, meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- onbuigzaam, star
- streng, strikt, weinig vrijheid toelatend
- krachtig, sterk [1]
- sterk [3], weinig geloofwaardig
- strak
- geconcentreerd, onafgewend
- bars, grof [5], ruw [2]
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van straffen
- gebiedende wijs van straffen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van straffen
Vervoeging van straf
strafhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘stijf, krachtig’ voor het eerst aangetroffen in 1401. Het substantief met de betekenis "maatregel ter vergelding" dateert van ruim een eeuw later (ca. 1557). Waarschijnlijk is het substantief afgeleid van het gelijkluidende bijvoeglijk naamwoord, of van het werkwoord. Uiteindelijk waarschijnlijk ontleend aan Middelhoogduits strafe.
Woordfamilie van straf
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| straffere | woordvorm | straf |
| strafje | verkleinwoord | straf |
| strafjes | verkleinwoord meervoud | straf |
| strafs | woordvorm | straf |
| strafst | woordvorm | straf |
| strafste | woordvorm | straf |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van straf zijn vastgelegd.