afbieden
werkwoordBetekenis
- afdingen
Vervoeging van afbieden
afbiedenhele werkwoord — bood afverleden tijd enkelvoud — boden afverleden tijd meervoud — afgebodenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bied af | bood af |
| jij | biedt af | bood af |
| hij, zij, het | biedt af | bood af |
| wij | bieden af | boden af |
| jullie | bieden af | boden af |
| zij | bieden af | boden af |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te bieden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen bieden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal bieden | bijzin, toekomende tijd |
| af zou bieden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden bieden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt bieden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen bieden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen bieden | bijzin, toekomende tijd |
| af zult bieden | bijzin, toekomende tijd |
| afbied | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afbiedend | onvoltooid, deelwoord |
| afbiedt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afboden | bijzin, verleden tijd |
| afbood | bijzin, verleden tijd |
| afgeboden | verleden tijd, deelwoord |
| afgeboden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeboden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bied af | gebiedende wijs |
| bood af | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeboden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeboden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeboden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeboden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeboden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeboden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeboden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeboden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeboden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeboden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeboden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeboden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeboden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeboden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeboden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgeboden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afbieden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afbieden | bijzin, toekomende tijd |
| zal afgeboden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeboden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeboden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou afbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afbieden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou afgeboden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeboden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeboden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) afbieden af zou(dt) bieden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afbieden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeboden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeboden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeboden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt afbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afbieden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeboden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen afbieden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afbieden | bijzin, toekomende tijd |
| zullen afgeboden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeboden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeboden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult afbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afbieden | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeboden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal afbieden af zult/zal bieden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af en bieden
Woordfamilie van afbieden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afbied | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afbieden |
| afbiede | with-subordinate-clause | afbieden |
| afbiedend | onvoltooid deelwoord | afbieden |
| afbiedende | woordvorm | afbieden |
| afbiedt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afbieden |
| afboden | subordinate-clause, verleden tijd | afbieden |
| afbood | subordinate-clause, verleden tijd | afbieden |
| afgeboden | voltooid deelwoord | afbieden |
| bied af | gebiedende wijs | afbieden |
| biede af | woordvorm | afbieden |
| bieden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afbieden |
| biedt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afbieden |
| boden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afbieden |
| bood af | verleden tijd | afbieden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afbieden zijn vastgelegd.