afblazen
werkwoordBetekenis
- het teken geven dat iets niet doorgaat
Vervoeging van afblazen
afblazenhele werkwoord — blies afverleden tijd enkelvoud — bliezen afverleden tijd meervoud — afgeblazenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blaas af | blies af |
| jij | blaast af | blies af |
| hij, zij, het | blaast af | blies af |
| wij | blazen af | bliezen af |
| jullie | blazen af | bliezen af |
| zij | blazen af | bliezen af |
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te blazen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen blazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal blazen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou blazen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden blazen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt blazen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen blazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen blazen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult blazen | bijzin, toekomende tijd |
| afblaas | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afblaast | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afblazend | onvoltooid, deelwoord |
| afblies | bijzin, verleden tijd |
| afbliest | bijzin, verleden tijd |
| afbliezen | bijzin, verleden tijd |
| afgeblazen | verleden tijd, deelwoord |
| afgeblazen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeblazen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| blaas af | gebiedende wijs |
| blies af | verleden tijd |
| er is afgeblazen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgeblazen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgeblazen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgeblazen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgeblazen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgeblazen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgeblazen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgeblazen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeblazen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeblazen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeblazen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeblazen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeblazen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgeblazen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afblazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afblazen | bijzin, toekomende tijd |
| zal afgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou afblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afblazen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou afgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) afblazen af zou(dt) blazen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afblazen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt afblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afblazen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen afblazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afblazen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen afgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult afblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afblazen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal afblazen af zult/zal blazen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en blazen ww
Woordfamilie van afblazen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afblaas | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afblazen |
| afblaast | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afblazen |
| afblaze | with-subordinate-clause | afblazen |
| afblazend | onvoltooid deelwoord | afblazen |
| afblazende | woordvorm | afblazen |
| afblies | subordinate-clause, verleden tijd | afblazen |
| afbliezen | subordinate-clause, verleden tijd | afblazen |
| afgeblazen | voltooid deelwoord | afblazen |
| blaas af | gebiedende wijs | afblazen |
| blaast af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afblazen |
| blaze af | woordvorm | afblazen |
| blazen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afblazen |
| blies af | verleden tijd | afblazen |
| bliezen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afblazen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afblazen zijn vastgelegd.