Naar de inhoud

afblazen

het teken geven dat iets niet doorgaat

afblazen

werkwoord

Betekenis

  1. het teken geven dat iets niet doorgaat

Vervoeging van afblazen

afblazenhele werkwoord — blies afverleden tijd enkelvoud — bliezen afverleden tijd meervoud — afgeblazenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik blaas af blies af
jij blaast af blies af
hij, zij, het blaast af blies af
wij blazen af bliezen af
jullie blazen af bliezen af
zij blazen af bliezen af
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te blazen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen blazen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal blazen bijzin, toekomende tijd
af zou blazen bijzin, voorwaardelijk
af zouden blazen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt blazen bijzin, voorwaardelijk
af zullen blazen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen blazen bijzin, toekomende tijd
af zult blazen bijzin, toekomende tijd
afblaas bijzin, tegenwoordige tijd
afblaast bijzin, tegenwoordige tijd
afblazend onvoltooid, deelwoord
afblies bijzin, verleden tijd
afbliest bijzin, verleden tijd
afbliezen bijzin, verleden tijd
afgeblazen verleden tijd, deelwoord
afgeblazen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeblazen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
blaas af gebiedende wijs
blies af verleden tijd
er is afgeblazen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgeblazen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgeblazen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgeblazen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgeblazen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgeblazen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgeblazen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgeblazen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgeblazen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgeblazen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgeblazen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgeblazen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgeblazen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgeblazen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgeblazen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeblazen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgeblazen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afblazen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal afblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afblazen bijzin, toekomende tijd
zal afgeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou afblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afblazen bijzin, voorwaardelijk
zou afgeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) afblazen af zou(dt) blazen bijzin, voorwaardelijk
zouden afblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afblazen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt afblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afblazen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen afblazen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afblazen bijzin, toekomende tijd
zullen afgeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult afblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afblazen bijzin, toekomende tijd
zult afgeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal afblazen af zult/zal blazen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en blazen ww

Woordfamilie van afblazen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afblaas subordinate-clause, tegenwoordige tijd afblazen
afblaast subordinate-clause, tegenwoordige tijd afblazen
afblaze with-subordinate-clause afblazen
afblazend onvoltooid deelwoord afblazen
afblazende woordvorm afblazen
afblies subordinate-clause, verleden tijd afblazen
afbliezen subordinate-clause, verleden tijd afblazen
afgeblazen voltooid deelwoord afblazen
blaas af gebiedende wijs afblazen
blaast af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afblazen
blaze af woordvorm afblazen
blazen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afblazen
blies af verleden tijd afblazen
bliezen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afblazen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afblazen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afblazen

Wat betekent afblazen?
Afblazen is een werkwoord. Het woord betekent: het teken geven dat iets niet doorgaat.
Hoe vervoeg je afblazen?
Je vervoegt afblazen als volgt: het voltooid deelwoord is afgeblazen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afblazen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. B 3
  4. L 3
  5. A 1
  6. Z 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afblazen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. B 4
  4. L 3
  5. A 1
  6. Z 5
  7. E 1
  8. N 1
  9. 20 zonder bonus
  10. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afblazen in het kort

afblazen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afblazen zijn 55 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afblazen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afblazen: het teken geven dat iets niet doorgaat
Deel afblazen — standaardnederlands.nl