Naar de inhoud

afbakenen

de grenzen van iets duidelijk markeren

afbakenen

werkwoord

Betekenis

  1. de grenzen van iets duidelijk markeren

Vervoeging van afbakenen

afbakenenhele werkwoord — bakende afverleden tijd enkelvoud — bakenden afverleden tijd meervoud — afgebakendvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik baken af bakende af
jij bakent af bakende af
hij, zij, het bakent af bakende af
wij bakenen af bakenden af
jullie bakenen af bakenden af
zij bakenen af bakenden af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te bakenen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen bakenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal bakenen bijzin, toekomende tijd
af zou bakenen bijzin, voorwaardelijk
af zouden bakenen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt bakenen bijzin, voorwaardelijk
af zullen bakenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen bakenen bijzin, toekomende tijd
af zult bakenen bijzin, toekomende tijd
afbaken bijzin, tegenwoordige tijd
afbakende bijzin, verleden tijd
afbakenden bijzin, verleden tijd
afbakenend onvoltooid, deelwoord
afbakent bijzin, tegenwoordige tijd
afgebakend verleden tijd, deelwoord
afgebakend te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgebakend te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgebakend te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgebakend te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgebakend te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgebakend worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgebakend zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgebakend zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgebakend zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgebakend zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
baken af gebiedende wijs
bakende af verleden tijd
ben afgebakend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgebakend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgebakend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgebakend impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgebakend impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgebakend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgebakend worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgebakend zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgebakend worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgebakend zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgebakend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgebakend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgebakend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgebakend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgebakend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgebakend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgebakend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgebakend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgebakend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgebakend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgebakend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgebakend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgebakend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgebakend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgebakend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgebakend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgebakend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgebakend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afbakenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgebakend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgebakend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgebakend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgebakend voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgebakend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgebakend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgebakend voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgebakend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgebakend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgebakend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgebakend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgebakend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgebakend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgebakend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgebakend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgebakend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgebakend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgebakend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgebakend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgebakend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afbakenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afbakenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afbakenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afbakenen bijzin, toekomende tijd
zal afgebakend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgebakend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgebakend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgebakend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgebakend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgebakend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgebakend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn afgebakend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgebakend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgebakend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgebakend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afbakenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afbakenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afbakenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afbakenen bijzin, voorwaardelijk
zou afgebakend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgebakend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgebakend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgebakend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgebakend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgebakend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgebakend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgebakend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgebakend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) afbakenen af zou(dt) bakenen bijzin, voorwaardelijk
zouden afbakenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afbakenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afbakenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afbakenen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgebakend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgebakend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgebakend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgebakend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgebakend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgebakend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgebakend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgebakend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgebakend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt afbakenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afbakenen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgebakend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgebakend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgebakend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen afbakenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afbakenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afbakenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afbakenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afbakenen bijzin, toekomende tijd
zullen afgebakend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgebakend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgebakend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgebakend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgebakend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgebakend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgebakend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgebakend zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgebakend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult afbakenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en bakenen ww

Woordfamilie van afbakenen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afbaken subordinate-clause, tegenwoordige tijd afbakenen
afbakende subordinate-clause, verleden tijd afbakenen
afbakenden subordinate-clause, verleden tijd afbakenen
afbakene with-subordinate-clause afbakenen
afbakenend onvoltooid deelwoord afbakenen
afbakenende woordvorm afbakenen
afbakent subordinate-clause, tegenwoordige tijd afbakenen
baken af gebiedende wijs afbakenen
bakende af verleden tijd afbakenen
bakenden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afbakenen
bakene af woordvorm afbakenen
bakenen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afbakenen
bakent af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afbakenen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afbakenen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afbakenen

Wat betekent afbakenen?
Afbakenen is een werkwoord. Het woord betekent: de grenzen van iets duidelijk markeren.
Hoe vervoeg je afbakenen?
Je vervoegt afbakenen als volgt: het voltooid deelwoord is afgebakend. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afbakenen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. B 3
  4. A 1
  5. K 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afbakenen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. B 4
  4. A 1
  5. K 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afbakenen in het kort

afbakenen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afbakenen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afbakenen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afbakenen: de grenzen van iets duidelijk markeren
Deel afbakenen — standaardnederlands.nl