Naar de inhoud

afbladderen

het in dunne laagjes loskomen van verf

afbladderen

werkwoord

Betekenis

  1. het in dunne laagjes loskomen van verf

Vervoeging van afbladderen

afbladderenhele werkwoord — bladderde afverleden tijd enkelvoud — bladderden afverleden tijd meervoud — afgebladderdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bladder af bladderde af
jij bladdert af bladderde af
hij, zij, het bladdert af bladderde af
wij bladderen af bladderden af
jullie bladderen af bladderden af
zij bladderen af bladderden af
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te bladderen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen bladderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal bladderen bijzin, toekomende tijd
af zou bladderen bijzin, voorwaardelijk
af zouden bladderen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt bladderen bijzin, voorwaardelijk
af zullen bladderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen bladderen bijzin, toekomende tijd
af zult bladderen bijzin, toekomende tijd
afbladder bijzin, tegenwoordige tijd
afbladderde bijzin, verleden tijd
afbladderden bijzin, verleden tijd
afbladderend onvoltooid, deelwoord
afbladdert bijzin, tegenwoordige tijd
afgebladderd verleden tijd, deelwoord
afgebladderd te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgebladderd zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ben afgebladderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgebladderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bladder af gebiedende wijs
bladderde af verleden tijd
ev. gebiedende wijs
is afgebladderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgebladderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn afgebladderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afbladderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgebladderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgebladderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgebladderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgebladderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgebladderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgebladderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgebladderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal afbladderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afbladderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afbladderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afbladderen bijzin, toekomende tijd
zal afgebladderd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgebladderd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgebladderd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn afgebladderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn afgebladderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgebladderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgebladderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgebladderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afbladderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afbladderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afbladderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afbladderen bijzin, voorwaardelijk
zou afgebladderd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgebladderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgebladderd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) afbladderen af zou(dt) bladderen bijzin, voorwaardelijk
zouden afbladderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afbladderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afbladderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afbladderen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgebladderd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgebladderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgebladderd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt afbladderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afbladderen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgebladderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen afbladderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afbladderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afbladderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afbladderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afbladderen bijzin, toekomende tijd
zullen afgebladderd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgebladderd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgebladderd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult afbladderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afbladderen bijzin, toekomende tijd
zult afgebladderd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal afbladderen af zult/zal bladderen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en bladderen ww

Woordfamilie van afbladderen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afbladder subordinate-clause, tegenwoordige tijd afbladderen
afbladderde subordinate-clause, verleden tijd afbladderen
afbladderden subordinate-clause, verleden tijd afbladderen
afbladdere with-subordinate-clause afbladderen
afbladderend onvoltooid deelwoord afbladderen
afbladderende woordvorm afbladderen
afbladdert subordinate-clause, tegenwoordige tijd afbladderen
bladder af gebiedende wijs afbladderen
bladderde af verleden tijd afbladderen
bladderden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afbladderen
bladdere af woordvorm afbladderen
bladderen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afbladderen
bladdert af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afbladderen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afbladderen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over afbladderen

Wat betekent afbladderen?
Afbladderen is een werkwoord. Het woord betekent: het in dunne laagjes loskomen van verf.
Hoe vervoeg je afbladderen?
Je vervoegt afbladderen als volgt: het voltooid deelwoord is afgebladderd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afbladderen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. B 3
  4. L 3
  5. A 1
  6. D 2
  7. D 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afbladderen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. B 4
  4. L 3
  5. A 1
  6. D 2
  7. D 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 zonder bonus
  13. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afbladderen in het kort

afbladderen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afbladderen zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afbladderen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afbladderen: het in dunne laagjes loskomen van verf
Deel afbladderen — standaardnederlands.nl