afbellen
werkwoordBetekenis
- telefonisch afzeggen
- telefonisch benaderen
Vervoeging van afbellen
afbellenhele werkwoord — belde afverleden tijd enkelvoud — belden afverleden tijd meervoud — afgebeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bel af | belde af |
| jij | belt af | belde af |
| hij, zij, het | belt af | belde af |
| wij | bellen af | belden af |
| jullie | bellen af | belden af |
| zij | bellen af | belden af |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te bellen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen bellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal bellen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou bellen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden bellen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt bellen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen bellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen bellen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult bellen | bijzin, toekomende tijd |
| afbel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afbelde | bijzin, verleden tijd |
| afbelden | bijzin, verleden tijd |
| afbellend | onvoltooid, deelwoord |
| afbelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afgebeld | verleden tijd, deelwoord |
| afgebeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgebeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bel af | gebiedende wijs |
| belde af | verleden tijd |
| er is afgebeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgebeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgebeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgebeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgebeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgebeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgebeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgebeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgebeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgebeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgebeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgebeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgebeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgebeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgebeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgebeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgebeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgebeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgebeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgebeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgebeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgebeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgebeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgebeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afbellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afbellen | bijzin, toekomende tijd |
| zal afgebeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgebeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgebeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou afbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afbellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou afgebeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgebeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgebeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) afbellen af zou(dt) bellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afbellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgebeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgebeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgebeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt afbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afbellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgebeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen afbellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afbellen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen afgebeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgebeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgebeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult afbellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afbellen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgebeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal afbellen af zult/zal bellen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af en bellen
Woordfamilie van afbellen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afbel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afbellen |
| afbelde | subordinate-clause, verleden tijd | afbellen |
| afbelden | subordinate-clause, verleden tijd | afbellen |
| afbelle | with-subordinate-clause | afbellen |
| afbellend | onvoltooid deelwoord | afbellen |
| afbellende | woordvorm | afbellen |
| afbelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afbellen |
| afgebeld | voltooid deelwoord | afbellen |
| afgebelde | woordvorm | afbellen |
| bel af | gebiedende wijs | afbellen |
| belde af | verleden tijd | afbellen |
| belden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afbellen |
| belle af | woordvorm | afbellen |
| bellen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afbellen |
| belt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afbellen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afbellen zijn vastgelegd.