zinkstuk
zelfstandig naamwoord /zɪŋkstɵk/Betekenis
- (dysfemisme) een muntstuk van zink zoals dat in de bezettingstijd vervaardigd werd
- een drijvende mat van wilgentenen die met stenen verzwaard wordt om als basis voor een nieuwe dam te dienen
- tweede betekenisomschrijving.
- enz.
Hoe spreek je zinkstuk uit?
/zɪŋkstɵk/
Zinkstuk bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| s | sok |
| t | tak |
| ɵ | put |
zelfstandig naamwoord — neuter
- drijvende mat van wilgentenen die met stenen verzwaard wordt om als basis voor een nieuwe dam te dienen of om de bodem tegen uitschuring te beschermen
- onderdeel dat bestemd is om naar de waterbodem te zinken
- losgeraakte onderdelen die uit het metaal zink vervaardigd zijn
- muntstuk van zink zoals dat in de bezettingstijd vervaardigd werd pejorative
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zinkstukken | meervoud |
Herkomst
[1], [2] samenstelling van zink ww en stuk zn
Woordfamilie van zinkstuk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zinkstukken | meervoud | zinkstuk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zinkstuk zijn vastgelegd.