stinken
werkwoord ˈstɪŋkə(n)Betekenis
- een onaangename geur hebben
Hoe spreek je stinken uit?
/ˈstɪŋkən/
Stinken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- niet in orde zijn absolute, figuratively
Vervoeging van stinken
stinkenhele werkwoord — stonkverleden tijd enkelvoud — stonkenverleden tijd meervoud — gestonkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stink | stonk |
| jij | stinkt | stonk |
| hij, zij, het | stinkt | stonk |
| wij | stinken | stonken |
| jullie | stinken | stonken |
| zij | stinken | stonken |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gestonken | verleden tijd, deelwoord |
| gestonken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestonken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stink | gebiedende wijs |
| stinke | aanvoegende wijs |
| stinkend | onvoltooid, deelwoord |
| stonk | verleden tijd |
| te hebben gestonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te stinken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stinken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gestonken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestonken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestonken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gestonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestonken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestonken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestonken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stinken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestonken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands stinken van stinkan, in de betekenis van ‘kwalijk ruiken’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van stinken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestonken | voltooid deelwoord | stinken |
| stink | gebiedende wijs | stinken |
| stinke | aanvoegende wijs | stinken |
| stinkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stinken |
| stonk | verleden tijd | stinken |
| stonken | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stinken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stinken zijn vastgelegd.