slinken
werkwoord /ˈslɪŋkə(n)/Betekenis
- (in massa of omvang) minder worden, inkrimpen
- (in kracht) minder worden, verslappen
- (in aantal of hoeveelheid) minder worden
- geleidelijk verdwijnen, wegdeemsteren
Hoe spreek je slinken uit?
/ˈslɪŋkən/
Slinken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| l | land |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- minder worden, inkrimpen ergative
- minder worden, verslappen ergative
- minder worden ergative
Vervoeging van slinken
slinkenhele werkwoord — slonkverleden tijd enkelvoud — slonkenverleden tijd meervoud — geslonkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | slink | slonk |
| jij | slinkt | slonk |
| hij, zij, het | slinkt | slonk |
| wij | slinken | slonken |
| jullie | slinken | slonken |
| zij | slinken | slonken |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben geslonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geslonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| geslonken | verleden tijd, deelwoord |
| geslonken te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geslonken zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is geslonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geslonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| slink | gebiedende wijs |
| slinke | aanvoegende wijs |
| slinkend | onvoltooid, deelwoord |
| slonk | verleden tijd |
| te slinken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geslonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen slinken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geslonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geslonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geslonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geslonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geslonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geslonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geslonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal geslonken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geslonken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geslonken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal slinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal slinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal slinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geslonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geslonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geslonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geslonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geslonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geslonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geslonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geslonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou slinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou slinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou slinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geslonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geslonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geslonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden slinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden slinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden slinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geslonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt slinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geslonken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geslonken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geslonken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen slinken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen slinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen slinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen slinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geslonken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult slinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘minder worden’ voor het eerst aangetroffen in 1351
Woordfamilie van slinken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geslonken | voltooid deelwoord | slinken |
| slink | gebiedende wijs | slinken |
| slinke | aanvoegende wijs | slinken |
| slinkend | onvoltooid deelwoord | slinken |
| slinkende | woordvorm | slinken |
| slinkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | slinken |
| slonken | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | slinken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van slinken zijn vastgelegd.