bezinken
werkwoord bəˈzɪŋkə(n)Betekenis
- langzaam naar de bodem zakken van deeltjes die in een vloeistof gemengd waren
- geleidelijk inwerken op de gedachten, zodat het oordeel zich geleidelijk kan verhelderen
Hoe spreek je bezinken uit?
/bəˈzɪŋkən/
Bezinken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| z | zon |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bezinken
bezinkenhele werkwoord — bezonkverleden tijd enkelvoud — bezonkenverleden tijd meervoud — bezonkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bezink | bezonk |
| jij | bezinkt | bezonk |
| hij, zij, het | bezinkt | bezonk |
| wij | bezinken | bezonken |
| jullie | bezinken | bezonken |
| zij | bezinken | bezonken |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben bezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bezink | gebiedende wijs |
| bezinke | aanvoegende wijs |
| bezinkend | onvoltooid, deelwoord |
| bezonk | verleden tijd |
| bezonken | verleden tijd, deelwoord |
| bezonken te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bezonken zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ev. | gebiedende wijs |
| is bezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bezinken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn bezonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bezinken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bezonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bezonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bezonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bezonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bezonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bezonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bezonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal bezinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bezinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bezinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bezonken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bezonken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bezonken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn bezonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn bezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bezinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bezinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bezinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bezonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bezonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bezonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bezinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bezinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bezinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bezonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bezonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bezonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bezinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bezonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bezinken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bezinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bezinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bezinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bezonken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bezonken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bezonken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bezinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bezonken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van zinken met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van bezinken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bezink | gebiedende wijs | bezinken |
| bezinke | aanvoegende wijs | bezinken |
| bezinkend | onvoltooid deelwoord | bezinken |
| bezinkende | woordvorm | bezinken |
| bezinkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bezinken |
| bezonk | verleden tijd | bezinken |
| bezonken | voltooid deelwoord | bezinken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bezinken zijn vastgelegd.