Naar de inhoud

wijken

voor iets uit de weg gaan

wijken is meer dan één woord

wijken

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. voor iets uit de weg gaan
  2. niet langer een bedreiging zijn

Vervoeging van wijken

wijkenhele werkwoord — weekverleden tijd enkelvoud — wekenverleden tijd meervoud — gewekenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik wijk week
jij wijkt week
hij, zij, het wijkt week
wij wijken weken
jullie wijken weken
zij wijken weken
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben geweken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geweken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
geweken verleden tijd, deelwoord
geweken te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geweken zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
is geweken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geweken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te wijken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn geweken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen wijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geweken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geweken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geweken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geweken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geweken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geweken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geweken voltooid, verleden tijd, derde persoon
week verleden tijd
wijk gebiedende wijs
wijke aanvoegende wijs
wijkend onvoltooid, deelwoord
zal geweken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geweken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geweken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal wijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal wijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal wijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geweken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn geweken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geweken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geweken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geweken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geweken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geweken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geweken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou wijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou wijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou wijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geweken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geweken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geweken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden wijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden wijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden wijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geweken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt wijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geweken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geweken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geweken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen wijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen wijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen wijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen wijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geweken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult wijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord wijk

Herkomst

In de betekenis van ‘zich terugtrekken’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Woordfamilie van wijken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geweken voltooid deelwoord wijken
wijke aanvoegende wijs wijken
wijkt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon wijken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wijken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over wijken

Wat betekent wijken?
Wijken is een werkwoord. Het woord betekent: voor iets uit de weg gaan. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je wijken?
Je vervoegt wijken als volgt: de tegenwoordige tijd is wijk, de verleden tijd is week en het voltooid deelwoord is geweken. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord wijken is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. W 5
  2. I 1
  3. J 4
  4. K 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

wijken levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. W 5
  2. I 2
  3. J 4
  4. K 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 16 zonder bonus
  8. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

wijken telt 6 letters, waarvan 6 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

wijken in het kort

wijken is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van wijken zijn 34 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort wijken bij een woordfamilie van 3 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

wijken: voor iets uit de weg gaan
Deel wijken — standaardnederlands.nl