wijken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- voor iets uit de weg gaan
- niet langer een bedreiging zijn
Vervoeging van wijken
wijkenhele werkwoord — weekverleden tijd enkelvoud — wekenverleden tijd meervoud — gewekenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wijk | week |
| jij | wijkt | week |
| hij, zij, het | wijkt | week |
| wij | wijken | weken |
| jullie | wijken | weken |
| zij | wijken | weken |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben geweken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| geweken | verleden tijd, deelwoord |
| geweken te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geweken zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is geweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geweken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te wijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geweken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geweken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geweken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geweken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geweken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geweken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geweken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geweken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| week | verleden tijd |
| wijk | gebiedende wijs |
| wijke | aanvoegende wijs |
| wijkend | onvoltooid, deelwoord |
| zal geweken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geweken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geweken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geweken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geweken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geweken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geweken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geweken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geweken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geweken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord wijk
Herkomst
In de betekenis van ‘zich terugtrekken’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van wijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geweken | voltooid deelwoord | wijken |
| wijke | aanvoegende wijs | wijken |
| wijkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wijken zijn vastgelegd.