wasdag
zelfstandig naamwoord ˈwɑzdɑxBetekenis
- dag van de week dat men wast, vroeger was dit vaak de maandag
Hoe spreek je wasdag uit?
/ˈwɑzdɑx/
Wasdag bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| z | zon |
| d | dak |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wasdagen | meervoud |
| wasdagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| wasdagjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van was zn en dag zn
Woordfamilie van wasdag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wasdagen | meervoud | wasdag |
| wasdagje | verkleinwoord | wasdag |
| wasdagjes | verkleinwoord meervoud | wasdag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wasdag zijn vastgelegd.