stopzetten
werkwoordBetekenis
- laten stilstaan of ophouden, afzetten, stilzetten
Vervoeging van stopzetten
stopzettenhele werkwoord — zette stopverleden tijd enkelvoud — zetten stopverleden tijd meervoud — stopgezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet stop | zette stop |
| jij | zet stop | zette stop |
| hij, zij, het | zet stop | zette stop |
| wij | zetten stop | zetten stop |
| jullie | zetten stop | zetten stop |
| zij | zetten stop | zetten stop |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is stopgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was stopgezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd stopgezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt stopgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal stopgezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal stopgezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou stopgezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou stopgezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had stopgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had stopgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had stopgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden stopgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden stopgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden stopgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt stopgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben stopgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stop te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stop te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stop zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| stop zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| stop zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| stop zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| stop zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stop zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| stop zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| stopgezet | verleden tijd, deelwoord |
| stopgezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stopgezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stopgezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stopgezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stopgezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stopgezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| stopgezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| stopgezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stopgezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stopgezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stopzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| stopzette | bijzin, verleden tijd |
| stopzettend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben stopgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stopzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart stopgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren stopgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren stopgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren stopgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was stopgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was stopgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was stopgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal stopgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal stopgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal stopgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal stopgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal stopgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal stopzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet stop | gebiedende wijs |
| zette stop | verleden tijd |
| zijn stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou stopgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou stopgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou stopgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou stopgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou stopgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou stopgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou stopzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) stopzetten stop zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden stopgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden stopgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden stopgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stopgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden stopgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden stopgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden stopzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt stopgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stopgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt stopzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen stopgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen stopgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen stopgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stopgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen stopgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen stopgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stopzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen stopzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult stopgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stopgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van stopzetten
Vervoeging van stopzetten
stopzettenhele werkwoord — zette stopverleden tijd enkelvoud — zetten stopverleden tijd meervoud — stopgezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet stop | zette stop |
| jij | zet stop | zette stop |
| hij, zij, het | zet stop | zette stop |
| wij | zetten stop | zetten stop |
| jullie | zetten stop | zetten stop |
| zij | zetten stop | zetten stop |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is stopgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was stopgezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd stopgezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt stopgezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal stopgezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal stopgezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou stopgezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou stopgezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had stopgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had stopgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had stopgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden stopgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden stopgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden stopgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt stopgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben stopgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stop te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stop te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stop zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| stop zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| stop zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| stop zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| stop zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stop zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| stop zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| stopgezet | verleden tijd, deelwoord |
| stopgezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stopgezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stopgezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stopgezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stopgezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stopgezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| stopgezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| stopgezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stopgezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stopgezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stopzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| stopzette | bijzin, verleden tijd |
| stopzettend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben stopgezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stopzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart stopgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren stopgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren stopgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren stopgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was stopgezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was stopgezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was stopgezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt stopgezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal stopgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal stopgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal stopgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal stopgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal stopgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal stopzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet stop | gebiedende wijs |
| zette stop | verleden tijd |
| zijn stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt stopgezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou stopgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou stopgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou stopgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou stopgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou stopgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou stopgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou stopzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) stopzetten stop zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden stopgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden stopgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden stopgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stopgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden stopgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden stopgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden stopzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt stopgezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stopgezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt stopzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen stopgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen stopgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen stopgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stopgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen stopgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen stopgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stopzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stopzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen stopzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult stopgezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stopgezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stopgezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van stop ww en zetten ww
Woordfamilie van stopzetten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stopgezet | voltooid deelwoord | stopzetten |
| stopgezette | woordvorm | stopzetten |
| stopzet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | stopzetten |
| stopzette | subordinate-clause, verleden tijd | stopzetten |
| stopzettend | onvoltooid deelwoord | stopzetten |
| stopzettende | woordvorm | stopzetten |
| zet stop | gebiedende wijs | stopzetten |
| zette stop | verleden tijd | stopzetten |
| zetten stop | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | stopzetten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stopzetten zijn vastgelegd.