splitten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈsplɪtə(n)Betekenis
- splijten, splitsen, uiteendrijven
Hoe spreek je splitten uit?
/ˈsplɪtən/
Splitten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| l | land |
| ɪ | pit |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van splitten
splittenhele werkwoord — splitteverleden tijd enkelvoud — gesplitvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | split | splitte |
| jij | split | splitte |
| hij, zij, het | split | splitte |
| wij | splitten | — |
| jullie | splitten | — |
| zij | splitten | — |
Alle 81 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gesplit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gesplit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gesplit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesplit | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesplit | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesplit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesplit worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesplit zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesplit worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesplit zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesplit | verleden tijd, deelwoord |
| gesplit te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesplit te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesplit te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesplit te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesplit te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesplit worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesplit zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesplit zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesplit zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesplit zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gesplit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gesplit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| split | gebiedende wijs |
| splitte | verleden tijd |
| splitte | aanvoegende wijs |
| splittend | onvoltooid, deelwoord |
| te splitten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gesplit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen splitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gesplit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesplit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gesplit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesplit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gesplit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gesplit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gesplit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gesplit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gesplit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gesplit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gesplit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gesplit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gesplit zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesplit zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesplit zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal splitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal splitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal splitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gesplit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gesplit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gesplit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gesplit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gesplit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gesplit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gesplit zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesplit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesplit zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou splitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou splitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou splitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesplit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesplit zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesplit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesplit zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden splitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden splitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden splitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesplit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt splitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesplit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesplit zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesplit zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesplit zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen splitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen splitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen splitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen splitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesplit zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult splitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van splitten
Vervoeging van splitten
splittenhele werkwoord — splitteverleden tijd enkelvoud — gesplitvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | split | splitte |
| jij | split | splitte |
| hij, zij, het | split | splitte |
| wij | splitten | — |
| jullie | splitten | — |
| zij | splitten | — |
Alle 81 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gesplit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gesplit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gesplit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesplit | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesplit | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesplit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesplit worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesplit zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesplit worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesplit zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesplit | verleden tijd, deelwoord |
| gesplit te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesplit te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesplit te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesplit te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesplit te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesplit worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesplit zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesplit zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesplit zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesplit zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gesplit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gesplit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| split | gebiedende wijs |
| splitte | verleden tijd |
| splitte | aanvoegende wijs |
| splittend | onvoltooid, deelwoord |
| te splitten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gesplit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen splitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gesplit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesplit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gesplit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesplit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gesplit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gesplit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gesplit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gesplit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gesplit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gesplit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gesplit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gesplit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gesplit zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesplit zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesplit zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal splitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal splitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal splitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gesplit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gesplit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gesplit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gesplit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gesplit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gesplit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gesplit zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesplit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesplit zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou splitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou splitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou splitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesplit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesplit zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesplit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesplit zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden splitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden splitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden splitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesplit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt splitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesplit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesplit zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesplit zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesplit zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen splitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen splitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen splitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen splitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesplit zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult splitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord split
Woordfamilie van splitten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesplit | voltooid deelwoord | splitten |
| gesplitte | woordvorm | splitten |
| splitte | verleden tijd | splitten |
| splittend | onvoltooid deelwoord | splitten |
| splittende | woordvorm | splitten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van splitten zijn vastgelegd.