schrok
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- schrokop, gulzigaard, brasser, schrokker, slokop, veelvraat, vreetzak, zwelger, holle bolle Gijs
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schrokken
- gebiedende wijs van schrokken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schrokken
Vervoeging van schrok
schrokhele werkwoord
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van schrikken
Vervoeging van schrok
schrokhele werkwoord