patat
zelfstandig naamwoordBetekenis
- Noord-Nederlandse benaming voor een gerecht of snack van frituren|gefrituurde aardappelreepjes ('patat frites')
- (elders) aardappel
- een gerecht of snack van gefrituurde aardappelreepjes ('patat frites')
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- Noord-Nederlandse benaming voor een gerecht of snack van gefrituurde aardappelreepjes ('patat frites')
- aardappel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| patatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| patatjes | verkleinwoord, meervoud |
| patatten | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘(in België) aardappel’ voor het eerst aangetroffen in 1762
Woordfamilie van patat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| patatje | verkleinwoord | patat |
| patatjes | verkleinwoord meervoud | patat |
| patatten | meervoud | patat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van patat zijn vastgelegd.