monolithisch
bijvoeglijk naamwoord monoˈlitisBetekenis
- gevormd uit één stuk steen
- van iets dat het kolossaal groot is en uit één massief brok bestaat
Hoe spreek je monolithisch uit?
/monoˈlitis/
Monolithisch bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| o | boot |
| n | nek |
| l | land |
| i | riet |
| t | tak |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als monolitisch.
bijvoeglijk naamwoord
- van iets dat het kolossaal groot is en uit één massief brok bestaat, één geheel vormend, geïntegreerd, homogeen figuratively
- opererend onder één merknaam
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| monolithische | verbogen, stellende trap |
| monolithischer | onverbogen, vergrotende trap |
| monolithischere | verbogen, vergrotende trap |
| monolithischers | partitief, vergrotende trap |
| monolitisch |
Herkomst
van Frans monolithe bn ; op te vatten als afgeleid van monoliet met het achtervoegsel -isch, in de betekenis "gevormd uit één stuk steen" aangetroffen vanaf 1818, waardoor dit de meest waarschijnlijke etymologie is
Woordfamilie van monolithisch
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| monolithische | verbogen vorm | monolithisch |
| monolithischer | vergrotende trap | monolithisch |
| monolithischere | verbogen vergrotende trap | monolithisch |
| monolithischers | partitieve vergrotende trap | monolithisch |
| monolitisch | woordvorm | monolithisch |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van monolithisch zijn vastgelegd.