loszitten
werkwoordBetekenis
- niet goed zijn bevestigd
Vervoeging van loszitten
loszittenhele werkwoord — zat losverleden tijd enkelvoud — zaten losverleden tijd meervoud — losgezetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zit los | zat los |
| jij | zit los | zat los |
| hij, zij, het | zit los | zat los |
| wij | zitten los | zaten los |
| jullie | zitten los | zaten los |
| zij | zitten los | zaten los |
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had losgezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had losgezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had losgezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden losgezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden losgezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden losgezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt losgezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb losgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben losgezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben losgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben losgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben losgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt losgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft losgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft losgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| los te zitten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| los te zullen zitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| los zal zitten | bijzin, toekomende tijd |
| los zou zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| los zouden zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| los zoudt zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| los zullen zitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| los zullen zitten | bijzin, toekomende tijd |
| los zult zitten | bijzin, toekomende tijd |
| losgezeten | verleden tijd, deelwoord |
| losgezeten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| losgezeten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| loszat | bijzin, verleden tijd |
| loszaten | bijzin, verleden tijd |
| loszit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| loszittend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben losgezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen loszitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal losgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal losgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal losgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal loszitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal loszitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal loszitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal loszitten | bijzin, toekomende tijd |
| zat los | verleden tijd |
| zit los | gebiedende wijs |
| zou losgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou losgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou losgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou loszitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou loszitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou loszitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou loszitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) loszitten los zou(dt) zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden losgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden losgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden losgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden loszitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden loszitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden loszitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden loszitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt losgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt loszitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt loszitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen losgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen losgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen losgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen loszitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen loszitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen loszitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen loszitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen loszitten | bijzin, toekomende tijd |
| zult losgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult loszitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult loszitten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal loszitten los zult/zal zitten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van los en zitten
Woordfamilie van loszitten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| losgezeten | voltooid deelwoord | loszitten |
| loszat | subordinate-clause, verleden tijd | loszitten |
| loszaten | subordinate-clause, verleden tijd | loszitten |
| loszit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | loszitten |
| loszitte | with-subordinate-clause | loszitten |
| loszittend | onvoltooid deelwoord | loszitten |
| loszittende | woordvorm | loszitten |
| zat los | verleden tijd | loszitten |
| zaten los | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | loszitten |
| zit los | gebiedende wijs | loszitten |
| zitte los | woordvorm | loszitten |
| zitten los | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | loszitten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van loszitten zijn vastgelegd.