kruk
zelfstandig naamwoord krʏkBetekenis
- een simpel zitmeubel zonder leuningen
- een hulpmiddel bij het lopen
- korte vorm van “deurkruk”, een simpel handvat waarmee een deur geopend kan worden
- een dwarsstaafje dat als handgreep dient, en dat haaks door een schacht van een bedieningsknop, gereedschap, etc. steekt
- een van de centrale as uitstekend deel van een krukas
- een onhandig persoon
- raaf
Hoe spreek je kruk uit?
/krʏk/
Kruk bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| r | rood |
| ʏ | put |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- simpel zitmeubel zonder leuningen
- steun vanaf de oksel bij het lopen
- simpel handvat waarmee een deur geopend kan worden
- dwarsstaafje dat als handgreep dient, en dat haaks door een schacht van een bedieningsknop, gereedschap of iets dergelijks steekt
- incapabel, onhandig of krakkemikkig persoon pejorative
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| krukje | verkleinwoord, enkelvoud |
| krukjes | verkleinwoord, meervoud |
| krukken | meervoud |
Herkomst
[1]: In de betekenis van ‘stoel zonder leuning’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1842
Woordfamilie van kruk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| krukje | verkleinwoord | kruk |
| krukjes | verkleinwoord meervoud | kruk |
| krukken | meervoud | kruk |
| gekrukt | woordvorm | krukken |
| krukke | woordvorm | krukken |
| krukkend | woordvorm | krukken |
| krukkende | woordvorm | krukken |
| krukt | woordvorm | krukken |
| krukte | woordvorm | krukken |
| krukten | woordvorm | krukken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kruk zijn vastgelegd.