stoel
zelfstandig naamwoord, werkwoord stulBetekenis
- een zitmeubel voor één persoon met een rugleuning
- wortelstel met stengelvoet van een plant (- bananenstoel)
- onderstel waar iets op rust (- dakstoel, klokkenstoel, zaagstoel)
Hoe spreek je stoel uit?
/stul/
Stoel bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| u | boek |
| l | land |
zelfstandig naamwoord — masculine
- wortelstel met stengelvoet van een plant (-> bananenstoel)
- bloembodem obsolete
- paddenstoel obsolete
- onderstel waar iets op rust (-> dakstoel, klokkenstoel, zaagstoel)
- weefgetouw
- faeces, ontlasting [2], stoelgang
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stoelen | meervoud |
| stoeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stoeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stoelen
- gebiedende wijs van stoelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stoelen
Vervoeging van stoel
stoelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘zitplaats’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van stoel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stoeltje | verkleinwoord | stoel |
| stoeltjes | verkleinwoord meervoud | stoel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stoel zijn vastgelegd.