overdruk
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord ˈovərˌdrʏkBetekenis
- een extra uitgave van een drukwerk dat gelijk is aan vorige uitgaven
- een druk die hoger is dan een referentie waarde
- te hoge werkdruk
- te druk
Hoe spreek je overdruk uit?
/ˈovərˌdrʏk/
Overdruk bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| d | dak |
| ʏ | put |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- extra uitgave van een drukwerk dat gelijk is aan vorige uitgaven
- over een oppervlak uitgeoefende kracht die hoger is dan een referentiewaarde; toestand waarin iets sterker is samengeperst figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| overdrukje | verkleinwoord, enkelvoud |
| overdrukjes | verkleinwoord, meervoud |
| overdrukken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overdrukken
Vervoeging van overdruk
overdrukhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van over bw en druk zn
Woordfamilie van overdruk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| overdrukje | verkleinwoord | overdruk |
| overdrukjes | verkleinwoord meervoud | overdruk |
| overdrukker | woordvorm | overdruk |
| overdrukkere | woordvorm | overdruk |
| overdrukkers | woordvorm | overdruk |
| overdruks | woordvorm | overdruk |
| overdrukst | woordvorm | overdruk |
| overdrukste | woordvorm | overdruk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overdruk zijn vastgelegd.